Modeshows: Frontstage
Om het backstagegegeven en de exclusiviteit ervan te bevatten, is het belangrijk een sprong in de tijd te maken en terug te gaan naar het begin van de modeshow. Van meet af aan speelde de show een sleutelrol in de ontwikkeling van de mode-industrie. De basis voor de modeshow werd reeds gelegd in de negentiende eeuw, toen modehuizen jonge vrouwen inhuurden om een jurk op een zo aantrekkelijk mogelijke manier te presenteren in hun salon. Charles Frederick Worth, grondlegger van de haute couture, had eind negentiende eeuw een huismodel, Marie Vernet, om zijn laatste creaties te tonen. Zij werd later zijn vrouw, en wordt beschouwd als de eerste mannequin. Het zou duren tot het begin van de twintigste eeuw wanneer de presentatie van collectiestukken een meer theatraal en beweeglijk karakter kreeg. De eerste catwalkachtige shows waarbij professionele modellen optraden, kwamen er na de eeuwwisseling met de Britse ontwerpster Lucy Duff-Gordon, grondlegster van het modehuis Lucile, en de sterontwerper Paul Poiret. Beiden presenteerden ware mannequinparades die veel weg hadden van theater, waarbij de laatste nieuwe ontwerpen aan het cliënteel gepresenteerd werden door modellen die paradeerden onder muzikale begeleiding. Dit werd al snel overgenomen door grootwarenhuizen en kleinere ontwerpers, en meestal werd de soms drie uur durende parade begeleid door een stem die elk model beschreef.
In tegenstelling tot vandaag woonden voornamelijk potentiële klanten en inkopers de shows bij, en waren er strenge reguleringen over het nemen van foto’s en aantekeningen om kopiëren tegen te gaan. In de jaren vijftig ging dat zelfs zo ver dat ontwerper Cristóbal Balenciaga de pers weerde van zijn shows, en buiten de traditionele showkalender presenteerde. In deze periode duurde een show nog een uur en een kwartier.
Vanaf de jaren zestig veranderde het concept van modeshows. De tijdsduur werd verkort tot een half uur (maar er werd evenveel getoond, waardoor het allemaal erg snel moest gaan). De industrialisering zorgde voor een productie op grotere schaal, en modemagazines namen de rol van trendpromotor over van de catwalk. Modellen kregen meer status en dit had veel effect op de interesse in de catwalk. In de jaren tachtig bereikte dit een hoogtepunt met topmodellen zoals Claudia Schiffer en Cindy Crawford. Zij kregen een sterrenstatus en waren erg gegeerd door designers. Celebrities genereren aandacht, en dat is vandaag niet anders.
In de eighties veranderde het concept van modeshows onder impuls van ontwerpers als Jean Paul Gaultier, Thierry Mugler, Versace en Armani. Ze evolueerden van een louter economisch naar een meer cultureel gegeven. De band met theater, film en cinema is nooit ver weg. Doorheen de jaren negentig werden modeshows steeds spectaculairder en inventiever, met designers zoals Alexander McQueen en John Galliano. Vanaf de jaren negentig onderging niet enkel het concept van de catwalk een verandering, maar ook de perceptie van de kleding. De Japanners, zoals Rei Kawakubo en Yohji Yamamoto en de Belgen zoals Ann Demeulemeester en Martin Margiela stelden het gangbare (mode)systeem in vraag wat resulteerde in een avantgardemode waarbij deconstructie en een afwijkende morfologie van kledij centraal stonden. Deze filosofie had veel impact op het gegeven van de catwalk, en transformeerde het in een soort van manifest en een intellectueel gegeven. Dit markeert de eeuwige paradox van mode. Mode is enerzijds een commercieel gegeven onderhevig aan een marketinggestuurde logica en, anderzijds, een cultureel gegeven met een symbolische en esthetische waarde.
De technologische vooruitgang van analoog naar digitaal, naar Internet en sociale media heeft een grote impact op hoe mode vandaag geproduceerd, verspreid en geconsumeerd wordt. Condé Nast lanceerde in 2000 het online-platform style.com (vandaag vogue.com) dat door iedereen – en niet enkel de professionals uit de industrie - raadpleegbaar was en zorgde zo dat deze voordien gesloten modewereld toegankelijk werd voor de massa. Dit had veel gevolgen voorde modejournalistiek, want direct raadpleegbare collecties maakten de traditionele modejournalist in principe overbodig. Bloggers en influencers spuien ongecensureerd hun mening over collecties, terwijl journalisten na een niet zo positieve review niet meer welkom zijn bij de shows. Een ander gevolg van Internet en sociale media is dat designers steeds meer in functie hiervan gaan ontwerpen, en beredeneerd hun show openen en sluiten met een smartphonevriendelijk silhouet
Hoewel alle informatie tijdens of meteen na de show verspreid wordt, is fysieke aanwezigheid nog steeds een voorrecht voor de happy few. De front row is voorbehouden voor celebrities en gezaghebbende pers, belangrijke klanten en naasten van de designer. De show is niet zozeer meer hoofdzakelijk van commercieel belang, gezien de inkopers eerder naar de showroom gaan. Hij blijft wel de gelegenheid bij uitstek om de visuele identiteit en het concept van een ontwerper of modehuis te etaleren. Het is een vluchtig moment, maar veelvuldig vastgelegd door (digitale) media. Elke metropool heeft wel haar modeweek, maar de belangrijkste zijn nog steeds die van New York, Londen, Milaan en Parijs. Februari en maart staan in het teken van de herfst-/wintercollecties van de vrouwenmode, en in september/oktober worden de lente-/zomercollecties gepresenteerd. Ook voor mannen bestaan er modeweken, maar deze zijn een stuk kleinschaliger.
Hand versus machine
Tijdens de negentiende eeuw worden voor verschillende handtechnieken machinale varianten geïntroduceerd, wat een invloed heeft op de productiesnelheid en -kosten. De naaimachine wordt in 1800 uitgevonden, maar pas in 1848 gepatenteerd. In 1828 wordt de eerste borduurmachine geïntroduceerd die handborduurwerk imiteert zonder tussenkomst van de mens. Tegenwoordig is machinaal borduurwerk computergestuurd, maar tijdens de negentiende eeuw wordt er nog met ponskaarten gewerkt. Borduurwerk kan ook handgestuurd – de stof wordt met de hand geleid – zijn, zoals met de Cornely-machine (1868), die kettingsteken produceert en kralen en pailletten snel kan bevestigen.
Omdat machinaal geproduceerde decoratie doorgaans goedkoper, sneller en minder ‘spontaan’ is, wordt aan het manuele nog steeds een superieure positie toegeschreven. In dit deel van de tentoonstelling zie je echter verschillende silhouetten waarbij het machinale en het manuele op gelijke voet staan. Ontwerpers combineren traditioneel vakmanschap met innovatie en hanteren machinale technieken als creatieve tools in hun zoektocht naar vernieuwing en exclusiviteit. De hier getoonde ontwerpen combineren machinaal borduurwerk, manueel uitgevoerde decoratie en technieken als lasercutting.
Britse modehuizen zoals Erdem en Mary Katrantzou, die bekendstaan om hun gewaagde, kleurrijke en rijkelijke decoratie, werken vaak samen met ateliers zoals Jenny King Embroidery en Hand & Lock, twee Britse ateliers die handwerk en manueel en computergestuurd borduurwerk combineren om tot de meest waanzinnige resultaten te komen.
Hightech
Tijdens de negentiende eeuw vinden de eerste experimenten met synthetische vezels plaats. Dit leidt tot de ontwikkeling van verschillende alternatieven voor dure natuurlijke materialen waardoor versierde silhouetten voor een veel breder publiek toegankelijk worden. In 1850 wordt bijvoorbeeld cellulosenitraat uitgevonden, enkele jaren laten, in 1865, celluloseacetaat. Deze vroege plastics worden tijdens de jaren ‘20 en ‘30 regelmatig toegepast in de mode-industrie op de zogenaamde charlestonjurken. Het resultaat hiervan kun je bewonderen in het volgende thema, Optische illusie.
Enkele van de grootste uitvindingen op het gebied van handborduurwerk kunnen ontwikkeld worden dankzij nieuwe materialen op basis van cellulose en andere synthetische materialen, wat leidt tot een breed arsenaal aan decoratieve opsmuk.
Cristóbal Balenciaga kondigt in de jaren ’50-‘60 officieel de intrede van plastic borduurwerk in de haute couture aan. Hij geeft het traditionele Parijse borduuratelier Lesage de opdracht te experimenteren met celluloseacetaat in de vorm van borduursels en pailletten in verschillende vormen en uitvoeringen. Geleidelijk aan vinden deze nieuwe materialen hun toepassing in de mode-industrie en vanaf de jaren ‘60 worden plastics als pvc uitgebreid gebruikt.
Vandaag maken ontwerpers voor hun opsmukwerk nog steeds graag gebruik van deze plastics, en dat in combinatie met nieuwe, maar ook traditionele materialen. Designers omarmen nieuwe technologie en experimenteren volop met innovatieve materialen en technieken zoals computergestuurde productieprocessen, 3D-printing en lasercutting. Ontwerpster Iris van Herpen betrekt zelfs gespecialiseerde laboratoria en universiteiten in haar zoektocht naar nieuwe materialen en productieprocessen.
Optische illusie
Smuk gaat nooit louter over decoreren, maar is steeds verbonden met een bepaalde betekenis; een context, vakmanschap en metier. De kracht van opsmuk schuilt niet alleen in het versieren, maar ook in het verhullen en onthullen, het transformeren en zelfs het misleiden. Een ideale inspiratiebron voor ontwerpers om te experimenteren met alle facetten van opsmuk en decoratieve technieken. Het gaat niet zozeer om de decoratieve ingreep op zich met als doel om te versieren, wél om het creëren van een illusie en vormenspel. Decoratie wordt daarbij ingezet als een middel om tot een bepaalde vorm te komen. Doorheen de modegeschiedenis hebben vorm en decoratie altijd op gespannen voet geleefd, waarbij nu eens de ene, dan weer de andere de bovenhand haalt.
De pailletten waarmee de charlestonjurken uit de jaren twintig zijn bezaaid, zorgen voor een intrigerend optisch spel wanneer de drager beweegt en danst. Pailletten – in verschillende vormen en maten – zijn een dankbaar visueel gegeven op de catwalk. Ook hier is de referentie naar beweging en dans nooit ver weg. Zo speelt Brits ontwerper Gareth Pugh in ware discostijl met de proporties van de paillet.
Dat decoratietechnieken ook ingezet kunnen worden als structuur zie je onder andere terug in de ontwerpen van Hussein Chalayan en Walter Van Beirendonck. Chalayan kwam door een combinatie van machinaal en handgemaakte toefjes tule tot de ‘Cone dress’, een soort cocon die de lichaamsvorm verhult. Van Beirendonck ontwikkelde op vraag van kunstenaar Erwin Wurm installaties in de vorm van ‘performative sculptures’, waarbij drie keer dubbel gevouwen ronde schijfjes tule aangebracht werden op een drager, met verschillende sculpturen als resultaat.
John Galliano, koning van het ‘maximalisme’ lanceert exuberante en over the top collecties in een periode waarin minimalisme hoogtij viert (‘90). Hij creëert een vormenspel door het veelvuldig gebruik van ruches waardoor er vreemde proporties ontstaan die het lichaam uit balans lijken te brengen.
Naturalia
De wondere wereld van de natuur heeft altijd een grote invloed gehad op mode. Ook vandaag maken ontwerpers dankbaar gebruik van elementen uit de fauna en flora, zoals bloemen, veren en dierenprints. Ze onthullen onze voorliefde en interesse voor de natuur.
Door ontdekkingsreizen, handel en de uitvinding van de boekdrukkunst neemt de kennis van naturalia in de zestiende eeuw almaar toe in onze contreien. Boeken met beschrijvingen over dieren, planten en floralia worden al snel een belangrijke inspiratiebron voor kleermakers.
Tijdens de achttiende eeuw, wanneer de rococo hoogtij viert, maken mannen aan het hof grote sier in rijkelijk met bloemen geborduurde jassen en vesten, onderdelen van het habit à la française. Elementen uit de fauna en flora verschijnen in diverse stijlen en uitvoeringen – vaker fantasie dan waarheidsgetrouw – doorheen de tijd. Vanaf de negentiende eeuw wordt het kleurenpalet terug soberder. Dat is vandaag nog steeds het geval. Behalve bij ontwerpers als Dries Van Noten en Alessandro Michele (Gucci), die hun ontwerpen graag opsmukken met geborduurde en applicatiebloemen, zie je weinig florale motieven opduiken in de herenmode.
Dat, in tegenstelling tot de damesmode, waar natuurlijke motieven altijd een belangrijke rol hebben gespeeld. Met de opkomst van de haute couture aan het eind van de negentiende eeuw groeit de vraag naar exclusieve en kostbare opsmuk. Ateliers specialiseren zich in het vervaardigen van pluimen en artificiële bloemen om aan de vraag te kunnen voldoen. Ontwerpers zoals Charles Frederick Worth, Lucile en Lanvin gaan samenwerkingen aan met deze maisons, die zich niet alleen laten inspireren, maar ook laten bedienen door elementen uit de natuur, zoals pluimen, schelpen, parels en dierenschilden.
Ook bij de hedendaagse generatie modeontwerpers nemen fauna en flora in de vorm van borduurwerk en appliqué een belangrijke plaats in. Ze experimenteren met materialen uit de natuur in allerlei decoratieve toepassingen. Denk maar aan de terugkerende veren bij Ann Demeulemeester, of de bloemen in het werk van Delpozo, Giambattista Valli en Dolce & Gabbana.
Wonderkamers
Hedendaagse ontwerpers zetten historische, machinale en nieuwe, innovatieve technieken in om hun ideeën vorm te geven. Deze wonderkamers nemen je mee in de wereld van de ateliers die in dienst staan van de luxemode-industrie.
In het eerste atelier ontdek je het savoir-faire van de pluimenmaker, de borduurwerker en de maker van artificiële bloemen aan de hand van verschillende tools, video’s en een interview met directeur van Maison Hurel, Martin Hurel. In de vitrines zie je stalen van gerenommeerde borduurateliers als Maison Hurel, Maison Lesage, Maison Lemarié, Hand & Lock en Pino Grasso Ricami.
In het tweede atelier – waar je zelf aan de slag kunt – bundelen we de krachten met Mode Incubator voor Accessoires Hasselt (MIA.H). Aan de hand van verschillende met laser gesneden, 3D-geprinte of machinaal geborduurde onderdelen kun je broches en manchetknopen maken die je nadien aan onze wand kunt bevestigen.