Jazz Age

Jazz Age

De bruisende jaren 20

12.09.2015-13.03.2016

Welkom in de bruisende jaren ‘20. Geen enkel decennium uit de geschiedenis van de twintigste eeuw spreekt zo tot de verbeelding als dat van de roaring twenties. Treffende getuige daarvan is de verfil­ming van Scott Fitzgeralds The Great Gatsby door Baz Luhrman in 2013. De film bevat alle ingrediënten die we vandaag associëren met de jaren twintig, zeker op het gebied van de mode. Denken we maar aan de kortgerokte, -geknipte en geëmancipeerde vrouwen en hun duizelingwekkende jurken bezaaid met veren, franjes en kralen waarmee ze mooie sier maken tijdens nachtelijke escapades en dansfeesten.

Het decennium biedt echter veel meer dan decadente feestscènes. En het is precies op dit ‘meer’ dat de tentoon­stelling Jazz Age eveneens wil inzoomen om zo een genu­anceerde bijdrage te leveren tot de beeldvorming van het modelandschap van de jaren twintig, met aandacht voor zowel mannen- als vrouwen­mode.

De expo neemt je mee naar de magnifieke en ravissante wereld van de roaring twen­ties. Ze biedt geen chronolo­gisch overzicht, maar is op­gevat als een wandeling langs verschillende thema’s die de boeiende geschiedenis en context van deze ravissante periode illustreren. Daarenbo­ven toont ze ook de invloed van de twenties in de heden­daagse mode

Voorlopers

De veranderingen die zich manifesteren tijdens de twenties zoals rechte, korte rokken en een lage taille komen er niet van de ene dag op de andere. Al aan het einde van de negentiende eeuw zijn er pogingen tot een ‘vrijere’ mode dankzij de groeiende interesse in hygiëne en een voorliefde voor sport en vrijetijdsbesteding. Na de eeuwwisseling zet deze tendens door. Spilfiguur in deze ontwikkeling is de Franse ontwerper Paul Poiret (1879-1944). Geïnspi­reerd door het oriëntalisme en de Ballets rus­ses van Serge Diaghilev (1909), bevrijdt hij de vrouw van het strakke S-corset en de smalle, lange rokken en ontwerpt hij een silhouet dat rechter is en daardoor meteen ook comfor­tabeler. De Eerste Wereldoorlog (1914-18) versterkt deze evolutie nog doordat vrouwen in die tijd de actieve rol van de mannen overne­men, wat lossere kledij vereist die een grotere bewegingsvrijheid toelaat. Na de oorlog zijn deze dames vanzelfsprekend niet geneigd deze verworven vrijheden op te geven.

Pioniers

Een aantal ontwerpers nemen het voortouw binnen de jaren 20 beweging naar een alter­natieve, vrijere en meer comfortabele mode. We belichten er hier drie: Jean Patou, Gabrielle Chanel en Jeanne Lanvin. Naast deze drie zijn nog tal van huizen en ontwerpers actief die een belangrijke rol spelen: Louiseboulanger, Callot Soeurs, Jenny, Vionnet, Lucien Lelong,…

De Franse ontwerper Jean Patou controleert alle stappen van het productieproces, vanaf het spinnen van garen. Dit zorgt voor innovatief materiaalgebruik, in het bijzonder in sports­wear. Mede hierdoor geeft hij de mode een andere dimensie. Hij ontwerpt kleding voor beroemde tennissters zoals Suzanne Lenglen (1899-1938) en Helen Wills (1905-1998), zowel op als naast het veld. In 1925 opent hij zelfs een sportafdeling ‘Au Coin des Sports’ in zijn winkel in Parijs. Verder in de tentoonstelling (eerste verdieping) kom je meer te weten over sportswear en vrije- tijdskleding.

Net als materialen spelen kleuren een belang­rijke rol in Patous ontwerpen. In de zomercol­lectie van 1925 kiest hij beige als modekleur van het seizoen. Deze zachte kleur versterkt de details zoals etnische borduursels, kanten ap­plicaties en geometrische patronen die vooral het Amerikaanse publiek moeten aanspreken.

Omwille van hun gelijkaardige visie op couture trekken de ontwerpen van Patou en Gabrielle Chanel dikwijls hetzelfde cliënteel aan. Chanel begrijpt als geen ander de nood aan comfor­tabele en praktische kledij voor vrouwen. Ze experimenteert met jersey, een materiaal voor­dien voornamelijk voorbehouden voor onder­kleding, en introduceert mannelijke elementen zoals cardigans en vesten in de vrouwengar­derobe. Haar sober ogende ontwerpen zijn bijzonder luxueus, de typische pauvre-chicstijl waar Chanel voor staat. Ze opent haar eerste winkels in mondaine badplaatsen in Frankrijk en oogst veel succes bij de jetset. Daarnaast wordt ook de lancering van de ‘little black dress’ (het zwarte jurkje) als dagelijkse outfit aan haar toegeschreven. Daarnaast is Chanel een toonbeeld van ‘de nieuwe vrouw’ in de jaren twintig door haar uiterlijk – korte haren, bruine huid, steeds rokend vastgelegd gehuld in sportieve kledij – en door haar levensstijl: een (financieel) onafhankelijke vrouw. Dat maakt haar een bijzonder belangrijke figuur met het oog op gendergelijkheid waarvan dejaren twintig een belangrijke basis vormen.

Jeanne Lanvin wordt algemeen beschouwd als een meer traditionele ontwerper omwille van haar voorliefde voor geschiedenis en roman­tiek. Ze staat bekend voor haar prachtige robes de style, beïnvloed door de negentiende eeuw­se crinolines. Lanvin is echter in vele opzichten bijzonder modern. Ze is niet enkel een ontwer­per maar eveneens een lifestyle designer, die commercieel zeer sterk is. Ze maakt creaties voor vrouwen, mannen en kinderen en brengt daarnaast ook een parfumlijn uit.

Invloeden

De mode van de jaren twintig is onderhevig aan tal van invloeden die haar karakteriseren. De mode zoekt inspiratie in het Oude Griekenland en niet-westerse culturen zoals het Verre Oos­ten, Egypte, Perzië, de Slavische wereld, China en Japan. Daarnaast hebben avant-garde­kunststromingen zoals het kubisme, fauvisme, futurisme en constructivisme een grote invloed. Kunstenaars, zoals Sonia Delaunay (1885-1979), gebruiken mode als canvas en experi­menteren met kleuren en abstracte vormen.

De art deco, die een hoogtepunt bereikt en gevierd wordt tijdens de grote Exposition Inter­nationale des Arts Décoratifs in 1925 in Parijs, is omnipresent in de mode. Deze geometrische stijl vormt een droomhuwelijk met de heersen­de lineaire vormentaal, en abstracte motieven sieren stoffen van zowel dag- als avondjurken. Paul Poiret, reeds aangehaald bij de voorlo­pers, speelt een grote rol in de ontwikkeling van de stijl.

Napoleons expeditie naar Egypte van 1798 tot 1801 wakkert in het Westen de interesse aan voor Egypte en de ontdekking van de tombe van Toetanchamon in 1922 brengt een ware Egyptomanie teweeg. Assuittextiel* (genaamd naar de Asyutregio in Egypte) wordt bijzonder modieus. De motieven, gemaakt van zilver en goud, variëren van scarabeeën over farao’s en hiërogliefen tot abstracte geometrische patronen.

De Anglo-Japanse tentoonstelling van 1910 in Londen initieert een voorliefde voor Japanse kimono’s bij westerse dames. Een variant op de kimono, gemaakt van lichte zijde met pa­godemouwen, wordt binnenshuis gedragen en rijkelijk versierd. Uit de Chinese cultuur worden natuurmotieven gehaald zoals planten, bloe­men, vogels en insecten.

Als gevolg van de burgeroorlog en de Russi­sche Revolutie in 1917 wijken veel Russenuit naar Parijs. Zij brengen de Slavische ico­nografie en borduurtechnieken in de westerse mode, en veel emigrantes gingen aan de slag in modehuizen. In 1921 wordt het Russische huis Kitmir, gespecialiseerd in bro­derie en textielbedrukking, opgericht in Parijs door groothertogin Maria Pavlovna (1890-1958).

Dagkledij/sportswear

Sport en vrije tijd krijgen een steeds prominen­tere plaats in het leven van de twenties man en vrouw. Aangezien vrouwen fysiek actiever worden, hebben ze kledij nodig die hen die vrij­heid geeft. Ook de herengarderobe verandert onder invloed van de nieuwe tijdgeest. Man­nen ruilen het conservatieve uiterlijk van hun vaders in voor een jongensachtige, jeugdige look. Truien en blouses, die in één stuk over het hoofd getrokken moeten worden, worden een standaardonderdeel van de garderobe. Spor­titems worden gedragen als vrijetijdskleding, zoals V-nektruien en gebreide vesten. Anders­om worden elementen uit de dagelijkse kledij gedragen tijdens sportactiviteiten. Zo wordt de plusfour,* ooit onderdeel van de negentiende-eeuwse jachtkledij, een vast onderdeel van de golfoutfit. Mannen krijgen steeds meer interesse in kleding en nemen actief deel aan de mode. Tijdschriften publiceren kledingvoor­schriften voor de ideale outfit. Door de demo­cratisering van de mode kunnen mannen van verschillende klassen zich een moderne look aanmeten.

Onderkleding

Na de Tweede Wereldoorlog begint onder­kleding te veranderen in overeenstemming met het nieuwe schoonheidsideaal, dat een platte boezem en een jongensachtig figuur voorschrijft. Het knellende korset wordt afge­dankt, maar dit betekent niet dat er niet langer ingesnoerd wordt. Rondborstige vrouwen binden hun borsten af met het oog op de fel­begeerde garçonnelook. Lingerie imiteert dit doosvormige silhouet en is los, doorschijnend en valt recht. Instaphemden alsook hemdjes in combinatie met bloomers en knickers worden populair en in het midden van de jaren twintig gaat de voorkeur uit naar alles-in-éénlingerie in pastelkleurige zijde en afgewerkt met crème­kleurige kant en borduurwerk.

Hedendaagse flappers

De glitter en glamour van de jaren twintig vin­den veel weerklank in de hedendaagse mode. Voornamelijk de tot de verbeelding sprekende figuur van de flapper is een dankbare referentie voor modeontwerpers en magazines. Deze zaal toont de hedendaagse flappers die seizoen na seizoen de catwalk overspoelen, geïnterpre­teerd door belangrijke ontwerpers en huizen zoals Dries Van Noten, Hermès, Ferragamo, Lanvin en Chanel. Het is evenwel belangrijk stil te staan bij de minder zichtbare invloeden die de figuur van de flapper had op mode en maatschappij.

Bepaalde principes die toen hoog op de maat­schappelijke agenda stonden, zoals gender en gelijkheid tussen man en vrouw, zijn vandaag nog steeds zeer actueel. De jaren twintig heb­ben daardoor als het ware een basis gelegd voor de mode zoals we die vandaag kennen; meerbepaald met betrekking tot thema’s als androgynie, genderneutraliteit, en het belang van sportieve kleding. Ook de mannenmode heeft veel te danken aan de jaren twintig, en specifiek aan de invloed van de sportswear, die nog steeds de basis vormt voor de heden­daagse garderobe van de man.

Avondkledij en formeel

‘s Avonds en bij formele gelegenheden ver­schijnen luxueuze en kostbare kledingstukken ten tonele. Focus wordt gelegd op de mantel die verschilt naargelang de gelegenheid. Man­tels worden gemaakt uit fluweel, crêpe de Chine en lamé en versierd met applicatiekant en fijn boorduurwerk. De brede mouwen, die doen denken aan de Japanse kimonomouwen, worden gedecoreerd met plooien en kant.

Mannen grijpen terug naar het donkere kos­tuum en zijn voor hun formele en avondkleding minder avontuurlijk dan voor die van overdag. Het mannensilhouet ’s avonds bestaat uit een wit hemd met zijden das of strik, een vest in zwart of ivoorkleur, een donkere brede broek en een jasje gedecoreerd met een zijden zak­doek in de borstzak. Het geheel wordt afge­werkt met zwarte lakschoenen en een hoge buishoed. De rokjas wordt voornamelijk gedra­gen bij formele evenementen en op bals.

Flapperfeest

Een van de meest herkenbare aspecten van de twenties is het bruisende nachtleven dat het einde van de oorlog eindeloos lijkt te fê­teren. Deze nieuwe tijdgeest wordt perfect belichaamd door de flapper, een losbandige vrouw die alle sociale wetten en morele codes aan haar laars lapt. Zij wordt synoniem voor het nachtleven en de mode van de jaren twintig.

Naast deze spectaculaire flapper staat een modieuze man. Dit is het enige en uitgelezen moment om te spelen met sociale conventies voor kledingvoorschriften, wat bijna resul­teerde in een vorm van kostumering. Inspiratie wordt gezocht bij beroemde filmacteurs zoals Rudolph Valentino. De basisoutfit bestaat uit een soortgelijk silhouet als ’s avonds: een rok­jas met bijpassende broek, een wit hemd met strik en een hoge buishoed

Overgang jaren dertig

Na de beurscrash in New York in 1929 veran­dert de mode even radicaal als ze gekomen is. In deze periode ruilen ontwerpers de lineaire look in voor zachtere modes waarbij de vrou­welijke contouren worden benadrukt. Jean Patou speelt ook in deze evolutie weer een belangrijke rol en presenteert in 1928 al een collectie waarin langere rokken centraal staan.

Woordenlijst

Assuit

Stof afkomstig uit de Egyptische stad Assuit. Kleine metalen plaatjes worden figuratief ver­werkt in katoenen of linnen open geweven stof.

Astrakan

Kortharig bont met meestal platte krul, afkom­stig van een vijf tot tien dagen oud lam van een karakoelschaap.

Briséwaaier

Opvouwbare waaier waarbij de aaneengeslo­ten benen één geheel vormen – i.t.t. waaier waarbij het blad en handvat/montuur apart zijn- en vervaardigd zijn uit materialen als ivoor, been, hout, parelmoer, schildpad en ezelshuid. De benen worden bovenaan bijeengehouden door een lint, de onderkant door een klink­nageltje. Veren konden gebruikt worden voor briséwaaiers (vooral vroege twintigste eeuw) met enorme struisvogelveren gemonteerd op schilpadbenen.

Canotier (ook matelot)

Rieten, ovale hoed met platte bol en randen, versierd met een lint, in de mode gebracht door aanhangers van het roeien (Fr. canotage > ca­notier) in de loop van de negentiende eeuw.

Chenille

Effectgaren met uitstekende draadeindjes dat via een speciale weef- of breitechniek ontstaat.

Crêpe de Chine

Fijne, lichte zijde of zijdeachtige stof in platbin­ding. De stof heeft in de breedterichting fijne ribbeltjes.

Crêpe georgette

Korrelige zijde of zijdeachtige stof in strak ge­weven platbinding, afwisselend gedraaid in S-twist en Z-twist voor ketting- en inslagdraad. In het begin van de 20ste eeuw vernoemd naar de Franse kleermaakster Georgette de La Plante.

Crêpe romaine

Zware maar transparante zijde of zijdeachtige stof in strak geweven platbinding.

Cubaanse hak

Hak bestaande uit laagjes leer die bovenaan breder is voor een stevig evenwicht. Deze hakstijl kwam op in het begin van de twintigste eeuw en werd rond 1910 de standaardhak voor wandelschoenen en laarzen.

Duchessesatijn

Dichtgeweven, gladde en glanzende kettingsa­tijn voor gelegenheidskleding.

Foulard

Soepele, zijdeachtige stof van filamentgarens in dubbelkeeper.

Incrustatie

Garnering waarvan de versierende delen in de stof zijn aangebracht.

Jersey

Algemene term voor fijn gebreide stoffen.

Lamé

Weefsel waarbij de inslag in zijn geheel of ge­deeltelijk uit goud- of zilverdraad bestaat.

Louishak (ook bobijnhak)

Hak met gebogen ronding, vanaf de achttiende eeuw.

Luifelhoed

Hoed in de vorm van een kap, met een uitste­kende rand aan de voorkant en een rechte, harde bol aan de achterkant. Aan de onderzijde bevindt zich een lint waarmee de hoed vastge­knoopt kan worden onder de kin.

Mof (ook polsmof of handmof)

Een (winter)kledingstuk dat over de beide handen geschoven kan worden. Meestal be­staande uit een koker van bont met aan beide zijden een opening.

Molton

Katoenweefsel in platbinding met dikke twee cilinder katoenen inslaggarens, aan beide zijden geruwd. De stof is daardoor warmte-isolerend.

Organdi

Glasbatist (dun, min of meer doorschijnend stijf katoenachtig weefsel) voorzien van patronen

Plusfour

Over de knie vallende pofbroek voor mannen. Een variant op de knickerbocker, maar iets langere en ruimere pijpen.

Point claire (ook klaarsteek)

Opengewerkte steek als versiering of afwer­king van boorden bij fijn linnengoed waarbij de opengewerkte stof door figuratieve borduur­technieken wordt bewerkt.

Ribzijde

Dicht geweven, geribde zijdestof.

Robe de style

Jurk met wijde rok en lijfje met lage taille die doet denken aan achttiende-eeuwse hofkleding.

Shantung

Wilde zijde in platbinding met onregelmatig ge­nopt en daardoor minder glanzend oppervlak. Afkomstig uit de provincie Shandong, China.

Slobkous (ook gette)

Korte beenkap van laken, linnen of leer die over de instap van het schoeisel wordt gedragen en over het algemeen bevestigd is met een riempje onder de voet. De eerste slobkousen werden bij de infanterie in het leger gebruikt om laarzen en broek te beschermen tegen vuil of beschadiging. Later werden ze gedragen door de burgerij.

Stras

Loodhoudend glas met zeer sterke lichtbre­king, gebruikt voor imitatie van edelstenen.

Tafzijde of taf

Gladde, stijve zijdestof in platbinding. Tafsoor­ten worden onderscheiden naar patroon of kleur van inslag- of kettingdraden.

Teddy

Loshangend ondergoed met weinig tot geen centrage dat hemd en onderbroek combineert in een kledingstuk.

Zilverbrokaat

Een zijdestof met ingeweven, meestal grote figuren, met zilverdraad doorweven.

Delen: